Korte verhalen

Eén kleine zonsverduistering

Eén kleine zonsverduistering

 

 

Even werd het stil, het licht stond niet langer op haar plaats, de mensen leunden tegen de oude gevels van krakkemikkige huizen uit de vorige eeuw, hun pakken raakten besmeurd met witte strepen kalk en zonder enig besef hielden zij hun hoofd verborgen in de schaduwzijde; de zon kwam toch barrevoets en levendig nader en bij de eerste betoverende aanblik die die laaghangende zon in het vroege najaar kan hebben zodra deze scherp aanwezig in onwennige ogen schijnt, draaiden de talloze hoofden massaal de rechterkant op, oost en dan weer west. Even hielden de kinderen hun adem in, hun tere wangetjes, nog zonder de uitgezette jongelingengroefjes raakten volledig opgezwollen, alvorens zij de warme lucht met een vrolijke lach uitbliezen – op straffe van krant ging de ludieke zomerdag ongehinderd door.

 

De tijd om ons heen stokte even in de droge schraperige keeltjes van de spelende kinderen die op het strand rondkraaiden door het warme tenenwoelende zand, kasteeltjes rezen op en een kleine klacht over korrels zand tussen gsm, beeld en goodtime-selfie-time bracht geen onbillijk gedachtegoed mee.

 

Na zeven jaar nam een klein knoestig hartje een seconde voor zichzelf, de vogels hingen stil in de lucht en weigerden hun vleugels verder uit te klappen dan strikt noodzakelijk. De met groene bladeren betegelde bomen stonden nu met flinke tegenzin hun groene veren af aan de herfstwind; één stille zachte plof op de grond die tederheid als een romantische wals over het spoor des levens trachtte te vertolken.

 

“imiteren”

 

De zon hanteerde dapper een pen en schreef zichzelf uit het kosmisch godenscript. Met zijn eerste lijn klaagde hij over de aardse kou, om in één van de volgende zinnen verder te gaan over allerlei kwalijke zaken. Althans deze zaken werden als kwalijk beschouwd in mijn westerse stressvolle beleving van tijd en haar noodzakelijke invulling om onder verwijten uit te komen – verwijten die ik op mijn beurt mijzelf ook weer inbeeldde, “verhalen over ontslag vanwege vijf afgesnoepte minuutjes die de zonsondergang vervroegden waardoor het ritme in de war liep, en een klagende rechtszaal vol natuurelementen die met klokjes van links naar rechts zwaaiden waardoor de zon geen idee meer had waaraan goed te doen”.

 

De regen dreef in een hoek van de zaal, te snel gedroogd door een woedende zon waardoor er vlekken in het tapijt ontstonden. De maan begon op zijn beurt te foeteren op de rode verbrandde plekken op zijn blote bast ontstaan door deze felle warmte. De sterren maakten zich zorgen; zouden zij door het dikke wolkendek wel op tijd terug op hun plek zijn?  De woede van de zon had het water te vlug verdampt en nu waren de wolken zo talrijk dat men vreesde dat zij de aarde zouden raken.

 

Nog verder in het nauw gedreven schuilde zij (de zon) in het niet en een zevenjarig kind dreunde met zijn jonge lenige lichaam omlaag, een uitgestrekte kleine met zonnesproetjes bevlekte arm zakte in elkaar, de hand boog zich tot vuist in het zand, korreltjes glanzend strand vlogen om de kleine vingers bevolkt door witte rimpels en golvende kloofjes. De zeven gezwommen jaren waren meer dan hoofddeugden: “aardse jaren tellen dubbel behalve als je teveel luistert”, smaalde het zelf aan eb en vloed onderhevige water.

 

Koning zon, Zonnekoning, Harp van de zon die al twinkelend de hoofden op hol brengt, het bloed laat stromen, de vloed van het hart aanjaagt opdat het bloed verder zal stijgen op haar zinnenroes van kracht, van ongebreidelde voor het lot van de uitverkorene, fatale overeenkomst tot wereldrijk der pagina’s van hoogtepunten bij aanvang der zinnen tot ondergang in voetnoten.

 

Zeven jaar keerde zich om, voor de wind stond hij stil tussen Oost en West, de zon kwam uitgesproken nader, de bal dreef verder en met een olijke lach kwam er over de jeugdige getuite lippen: “wie is wie, voor wie?”.

Ode aan een vreemdeling zonder tijdwijzer

Ode aan een vreemdeling zonder tijdwijzer

 

 

 

Merkwaardige vreemdelingen onder een kamer
volslagen curiosa, achter de dikke deur van venijn
Een eerste stap, half verkreukelde wijzer, verlof bovenop

 

klok

 

Meester tril-oog uitermate vergroot
traan van blijdschap
ongehinderd
poeltje vruchtwater
het laatste vioolgeluid

 

Merkwaardige vreemdelingen in een kamer vol woorden
Karaktermoord al lang uitgespeeld

 

De schreeuw rondom een fontein
én die maakt blind

 

Twaalf cijfers stonden van 1 tot 12,
in museale wetenswaardigheden gegroepeerd

 

Merkwaardige vreemdelingen in een kamer nog leeg van wit
Ze vonden de uitgang en vulden haar; met Wat

 

Merkwaardige vreemdelingen in een ruimte vol zwart
Lucifers, boten en licht, gebraden duif
verkreukelde tijdwijzer:  “vlucht niet meer”,

 

in wijsjes van zekerheid en alles roept klein!

 

Wat een vervreemdende tijd,
alle karakters faalden
op hun weg naar buiten
om leestekens zonder
uitroepteken te zijn

 

!

 

Merkwaardige vreemdelingen,
achter een deur vol grijze rook,
gevulde meetlinten voor altijd respijt

 

Dansende rariteiten,
op een potloodlijn

 

Kriskras door,
voor hen verloren tijd.

 

 

Hond en schim op voet van woordenoorlog.

Hond en schim op voet van woordenoorlog.

 

 

Als in een los van de stad gedreven krater bleven de in zichzelf gekeerde modderroestvlekken het web van verborgen groenmossige boomdraden ontginnen voor mijn klein geworden avondpupillen. Enigszins bevangen van kou, de rilling die over het spiertje net boven mijn linkeroog voorbij trok benoemde ik laatdunkend: “angst zonder bijkomstig vluchtgedrag”, terwijl mijn hartslag merkbaar in kracht en slag toenam als zou ik een paard in draf met obstakel op ooghoogte in het vooruitzicht zijn.

De boomdraden weefden zich een mouw de diepte in. Een spin veranderd zijn leven, het web beklaagde zich tegenstribbelend over de in gevangenschap ontstane hoeveelheid stof over de normaliter doorzichtige draadjes. Santé, op het leven van de herinneringskreupele vliegenknager!  Een kleine haas schoot vooruit en ik dacht zelf toen ik klein was: dit bos is zó groot, de boom is voor mij verder weg dan dat deze nu in mijn volwassenheid ooit zou kunnen zijn. Zelfs op deze tijdloze plek krioelen de mieren van seconden en minuten het liefst rondom de twaalf. Soelaas?

Verdwalen ging mij té makkelijk af, niet belemmerd door een neus wiens trilhaartjes smachtend de smaak van gebraden rundvlees achterna wilden gaan. De heerlijke geur die opsteeg uit de openstaande flatramen net naast het kleine postzegel parkje – daar achter de met olie bespikkelde parkeerplaats, waar iemand altijd op dezelfde plek aan een versleten auto sleutelde zonder dat er iets van een noodzaak toe leek te bestaan, althans, in mijn kinderogen dan  – op het postzegelgrasplaatje stonden enkele langsliertige bomen die ik voor een heel bos liet doorgaan.. Nee, in plaats van achterna reizen, voelde mijn neus zich veilig tussen de hangende boombladeren die geen voor en achter kenden.

Niets van die stiekeme kluizenaarsbemoederende peptalk deert de jonge ridder in zijn plastic harnas met een op iedere tak uitgeslagen buigend zwaard. Binnen ligt mijn klappertjespistool zonder klappertjes; klappertjesdood.

Tegengehouden natuur, ingehouden stiltemartelingen, geperforeerde dans op de nerven van bij regen glad geborstelde berkenbasten, door bosnimfen uitgevoerd die zich onthielden van eigen boom, al stoelendansend duikelend over de grond roetsjten zij, terwijl knisperende stoelpoten met weemoed aan hun boomtijd terugdachten – zucht  – oorlog der zuchten die bomflitsend de tijd verboog als zou vorm ondraaglijkheid verbieden in naam van één grote leider. “Eén paar”, zegt u meneer? Pas links rechts vooruit! Nachten zonder kader.

Mijn hond raakte woest, blies zichzelf op, de delen van zijn waakzaamheid verlengend in zijn aangespannen borstkas al snel in al zijn beschermende grootheid in slaap gevallen.

De woordenoorlog staakte, …

Klaproos op het achtergelaten slagveld.

Klaproos op het achtergelaten slagveld

 

 

Klaar verval, roekeloze bergen van rood en gespiegeld wit hielden de verdoemde strijdmakers tegen – onbegaanbaar voor de wind, wanhopig probeerde de klaproos diep vanuit haar keel resonerend de restjes van het achtergebleven bataljon moed in te fluisteren met een snerpende toon die me vaagjes aan luierende zeemeerminnen op blokken steen deed denken – come to me – sail to me.. terwijl haar klank steeds feller als een naderend hoogtepunt der strijd dichterbij trad over de reeds voor onze ogen vervaagde koude grond.

 

“Keeltje klaproos, kogelroest, morfine brood is een kalme hongerdood”, klonk vanachter een houten schot vandaan; brullend en eigenwijs, maar vooral onfeilbaar toegewijd.

 

Ontbeerde dagen van modder, zweet, glimmend ijzer, rokerige misantropische slagvelden en gestopte pijpjes met lichtkegeltjes van gedroogd gras bij gebrek aan tabak. Broederlijke tegenslag werd minutieus verhuld, zodat de zwarte inktvlekken die voor de ogen van velen opdoken geen doorgang konden vinden in die zwakke momenten van oorlog waarin het lichaam juist de fundamenten van ingebeelde Minotauruskracht zou moeten persen.

 

De wind droop stekelig van kou langdurig door de ongeschoren baardharen van één voor altijd te noteren zelfde naam: de onbekende naamloze numerieke gemachineerde soldaat. Stukken harde grond woelden om, aangedreven door stevige jonge rimpelloze handen die spartelend een uitweg zochten uit de klei terwijl met een vuil sprokkelstokje het halve woord wapenstil gekrast werd en de wind hoger opvloog als een onstuimige adelaar die dodelijk verwond om zijn hoogmoed ter aarde zou gaan storten opdat men op zijn gebroken borst een medaille van eer en gezwollen familiefaam kon doen laten prijken.

 

Nu was het dan toch zover gekomen, na honderden vijfdagenturfjes, het handgebaar van machteloosheid was omsingeld door een traanogen oproepende oostenwind die onder de voor de tijd van het jaar te donkere middag – die late namiddag in april met zijn grijze voorjaarshemel – de verstikkende werking van spelen op een slagveld tussen logica en bestuurskunde pijnlijk zichtbaar maakte en tot stilstand zou manen.

 

Schaakmat door 32 stukken die een veld van 278 splinters achterlieten.

 

De onwaardig geplooide roos stond alleen, haar zaden gekiemd, de opkomende nog ietwat onwennige roes van zomergloed over haar zachtroze huid droeg bij aan het vaarwel; de soldaten keerden huiswaarts – zij lieten meer van zichzelf achter dan zij hadden kunnen geven. Die dag.